Interviews met opgravers (deel 2)

Interviews (2)

Eergisteren maakten we een blogpost waarin we enkele deelnemers van de opgraving hebben geïnterviewd. Voor vandaag zijn er nog twee interviews afgenomen over hoe zij de opgraving tot nu toe ervaren. Dit is deel 2 van deze interviews, aangezien de verhalen bleven komen.

Emerson, eerstejaarsstudent

We vinden Emerson buiten in de zon, vondsten wassend. Het grootste verschil voor hem tussen de lessen en de praktijk is het moeten improviseren: “Je komt in het veld obstakels tegen waar geen enkele les je op heeft voorbereid, die je dan in het veld leert op te lossen.” Tegelijkertijd geeft hij aan dat de lessen wel goed hebben voorbereid op de basisvaardigheden, zoals het herkennen van verschillende grondsporen. Verder is het veldwerk redelijk wat hij er van verwachtte: “Ik wist dat het fysiek vermoeiend zou zijn, maar hoe snel de tijd voorbij gaat had ik niet verwacht.”

Het leukste om te doen is het fysieke werk, aldus Emerson: “Het graven in putten, of vlakschaven is het leukste, maar vondstverwerking is ook leuk omdat je dan alle vondsten voorbij ziet komen.”

Emerson is zeer geïnteresseerd in de Vikingperiode (800-1100): “Ik hoop dat we nog Vikingweeggewichtjes vinden zoals bij eerdere opgravingen ook zijn gevonden, of andere dingen uit die periode die Viking gerelateerd zijn!”

De grootste les die Emerson geleerd heeft is dat je goed op jezelf moet blijven letten, want de dagen zijn lang en vermoeiend, en het is wel 4 weken lang. “Je moet goed opletten wanneer je meer rust moet nemen, door meer pauzes in te lassen of iets anders te gaan doen en voor afwisseling te zorgen.”

Student Emerson op de opgraving
Student Emerson op de opgraving

Stijn Arnoldussen, senior archeoloog en opgravingsleider

Stijn Arnoldussen doet al jaren de eerstejaars leeropgravingen waaronder bij Klooster Ter Apel en Klooster Yesse, ook al is hij eigenlijk gespecialiseerd in de late prehistorie.
Het leukste aan opgraven met eerstejaarsstudenten vind hij het zien van de groei in die 4 weken dat er wordt opgegraven. Wat Yesse zo interessant maakt voor hem is dat het een zelfstandig vrouwenklooster was uit de vroege 13e eeuw. “Het feit dat het een zelfstandige abdij was maakt Yesse in alle opzichten anders dan andere kloosters in het noorden.” Specifiek dit jaar vind Stijn het leuk dat we door de locatie van de werkputten meer inzicht krijgen in de pakhuizen aan de noordkant van de clausuur. Daarnaast vind hij het heel leuk dat er dit jaar twee primeurs zijn in vondsten: kraalproductie en zandstenenbeelden.
Als wordt gevraagd wat hij het allerliefste zou vinden dan is het “de reliekschrijn”. Maar het is erg onwaarschijnlijk dat deze daadwerkelijk gevonden wordt. De mooiste vondst vindt hij de loden pauselijke bullae: “Omdat die de importantie van de vindplaats heel mooi laten zien.” Dit soort bullae hingen aan documenten zoals pauselijke encyclieken, verordeningen, en privileges. Omdat de naam van de paus destijds erop staat, helpen ze goed met dateringen.
Mocht het ooit mogelijk zijn om één van de nonnen uit Klooster Yesse te spreken, dan zou Stijn twee dingen erg graag willen weten: “Ik wil vooral weten, hoe erg heeft de pest toegeslagen onder de bevolking? Daar hebben we eigenlijk helemaal geen zicht op.” Ook zou hij graag willen weten wat er in de 15e eeuw is gebeurd met de noordwestvleugel. Deze is ooit ingestort, maar de reden hiervoor is (nog) niet bekend.
De grootste les die Stijn aan zijn studenten wil meegeven is kritisch zijn: “Bevraag iedere lijn. Was iedere scherf. Geloof niemand op z’n woord. Controleer wat Arnoldussen in z’n dagrapporten beweert met de boeken.”
Wat Stijn mee wil geven aan iedereen is dat Yesse een bijzonder groot en rijk klooster was, zowel in fysieke grootte als grandeur, ook al is dit nu in het landschap niet meer zichtbaar. Hij hoopt dat deze grandeur opnieuw te beleven wordt voor jong en oud.

Senior archeoloog en opgravingsleider Stijn Arnoldussen in de werkput
Senior archeoloog en opgravingsleider Stijn Arnoldussen in de werkput