Een vondst voor goede ogen (of juist zonder te kijken)

Kralensnoer

Vandaag hadden we een vondstenwasser met zeer scherpe ogen. Tussen alle fragmenten baksteen, glas en scherven, werd dit objectje opgemerkt. Het is niet groter dan vier millimeter, en valt bijna weg op de hand van de student. Het zat in een zakje met vermeende vissenbotjes, maar is beslist geen vis!

Zeer kleine kraal
Zeer kleine kraal, gevonden bij het wassen van de scherven

Het betreft hier een zeer kleine kraal, gemaakt van bot. We weten nog niet van welk dier, maar tegenwoordig bestaan er technieken om dat eventueel nog uit te zoeken.  Opvallend is dat het – ondanks zijn geringe omvang – toch een zeer netjes gemaakt kraaltje blijkt, bestaande uit een viertal ribbels op een cylindervormige kern.  Waarschijnlijk is dit met een draaibank gemaakt, en zijn de ribbels ontstaan door ertussen met een kleine beitel het bot weg te slijpen. We kennen zulke – met de voet aangedreven – draaibanken bijvoorbeeld van houtbewerker Lienhard Drechßel in het Nürnberger Hausbuch uit 1425

Hout- en beenbewerking met een draaibank (1425)
Hout- en beenbewerking met een draaibank (1425, Die Hausbücher der Nürnberger Zwölfbrüder-stiftungen, Amb. 317.2º Folio 58 Verso)

De ribbels op de kraal zijn waarschijnlijk niet alleen ter verfraaing. We vermoeden namelijk dat deze kraal onderdeel uitmaakte van een rozenkrans (of pater-noster). Een rozenkrans is een gebedssnoer met een aantal (series) van kralen, die helpen bij het herhalen van het juiste aantal herhalingen van op te zeggen gebeden. Een kralensnoer met 5×10 kralen kan staan voor 50 “wees-gegroetjes”, vaak gescheiden door een grotere kraal, die bijvoorbeeld stond voor een “onze vader”.

Aanvankelijk wordt met dit soort gebedssnoeren enkel het “Onze Vader” gebeden, maar onder invloed van de Mariaverering gaat men vanaf de 12e eeuw het paternostersnoer ook voor Ave Maria ’s (“wees-gegroetjes”) gebruiken. Het bidden van het “onze vader” lijkt daarmee nagenoeg verdrongen te worden, totdat we op het eind van de 14e eeuw een snoer zien ontstaan van 5 tientallen Ave Maria’s, afgewisseld met telkens één Pater Noster (lees hier meer).

Gebedssnoeren in context: boekmarginalia, schilderkust en hedendaags exemplaar
Gebedssnoeren in context: boekmarginalia, schilderkunst en hedendaags exemplaar. Links: rozenkrans als margeversiering in het Getijdenboek van Catharine van Kleef, ca. 1440, Morgan Library 311. MS M.917/945, midden: portret van Bartholomeus Bruyn de Oudere (1493–1555) van vrouw met gebedssnoer, rechts: moderne rozenkrans.
De vaak grotere kralen die als scheiding tussen de series van weesgegroetjes zijn aangebracht, worden ook wel gaudee aangeduid. Deze term komt uit het latijn van het werkwoord gaudere (“jubelen/zich verheugen”), het markeert dus het feestelijke moment dat met het nieuwe gebed wordt gevierd. Vaak worden deze kralen fraai uitgevoerd, of nemen de vorm aan van sterren, harten, kruisen of St. Jacobsschelpen. Cisterciënzers streven eerder soberheid na, en wat minimaal nodig is, is dat bij het door de vingers laten gaan van de rozenkrans, de zuster kan voelen dat ze bij een gaudee is aanbeland (en het dus tijd is voor een ander gebed). Een kraal met ribbels is dan een uitstekende oplossing! Zelf bij slecht licht of in het donker, is op de tast duidelijk dat men op een ijkpunt in de rozenkrans is aanbeland.