Middeleeuwse planten?

Vandaag is de tweede groep studenten bezig gegaan met archeobotanie. Wat is archeobotanie en waarom wordt dit gebruikt in de archeologie? Archeobotanie is het onderzoeken van plantenresten om de samenhang van menselijke activiteiten en vegetatie te achterhalen. In het archeologisch onderzoek worden humeuze en plantenrijke sporen bemonsterd. Op de foto zie je dat er een gutsboring wordt gedaan. Een guts is een lange smalle grondboor (vergelijkbaar met het werktuig waarmee je het klokhuis uit een appel boort) waarmee je steeds een meter grond kan opboren.

Bemonstering van een grondspoor met een guts (linksboven) en edelmanboor (rechtsboven) om een monster (onder) voor archeobotanisch onderzoek te verzamelen.

Het spoor wordt bemonsterd omdat er mogelijk verkoolde plantenresten in zitten. Verkoolde resten blijven goed bewaard en zijn goed te onderzoeken. Het grondwater bij het klooster in Ter Apel zit vrij diep in de bodem, hierdoor zijn alleen verkoolde plantenresten te vinden. Bij een hoog grondwater kunnen plantenresten ook onverbrand bewaard blijven en hoeven ze niet eerst verkoold te zijn. Eerst is er in spoor 8 van werkput 21 een boring van 67 cm diep uitgevoerd met een guts om de gelaagdheid van het spoor te onderzoeken, hierna zijn er verschillende boringen met een edelman gedaan om een aantal monsters, elk van 1 liter, uit het spoor te nemen.

Na het verzamelen van de monsters worden de plantenresten van het zand gescheiden met een techniek die floteren heet. Hierbij wordt het monster in een emmer gedaan waarna het met ongeveer 2 delen water wordt gemengd. De plantenresten zijn lichter dan het zand en blijven dus drijven terwijl het zand onderin de emmer blijft liggen. Het water met de plantenresten wordt dan door zeven van verschillende grootte gegoten, zodat de plantenresten gescheiden worden van het water.

Floteren en zeven van de archeobotanische resten in het veld

Na het floteren van de monsters worden deze onder de microscoop gelegd. Onder de microscoop zijn verkoolde resten van gierst, melganzenvoet, verbrande duizendknoop en veel houtskoolresten herkend in de monsters van vandaag. De studenten moeten van deze planten ook de wetenschappelijk naam (in het Latijn) weten, omdat ze daarmee alle informatie over een soort kunnen opzoeken.

Zaden (boven) en planten (onder) van de gierst, beklierde duizendknoop en melganzenvoet.

Op internet staan genoeg bruikbare bronnen waar je met de soortnaam (in Nederlands of Latijn) meer informatie over een plantensoort kan vinden. Zo kan je op www.floravannederland.nl van planten opzoeken hoe ze eruit zien, maar ook van wat voor een grond ze houden! Zo houdt de beklierde duizendknoop van plekken met veel ammoniak, zoals bij plaatsen waar vee staat, maar ook bijvoorbeeld bij rivieroevers, omgewerkte grond en mesthopen. Melganzevoet houdt dan weer van open, bijvoorbeeld vers gegraven of verstoorde stukken grond. Blijkbaar waren zulke landschappen te vinden rondom de grachten van Ter Apel!

Voorbeeld van verbrande zaden van gierst (Panicum miliaceum) uit de digitale zadenatlas van de RUG.

Het probleem is dat archeologen vaak enkel de verbrande zaden terugvinden…die zien er soms net wat anders uit dan de oorspronkelijke zaden. Maar ook hier is hulp…in de digitale planten atlas van de RUG zijn ook foto’s van de verbrande zaden te vinden.