In werkput 22 werd onverwacht op een diep niveau nog een spannende ontdekking gedaan: er leken botresten zichtbaar te worden onder een slooplaag – mogelijk de sloop van een onderkelderde noordoostelijke uitbouw aan het klooster.

Hoewel nog even rekening werd gehouden met een begraving van een mens, waren de vorm van de botten (smal en dicht bij elkaar gelegen) en de grootte van het grondspoor (ca. 1,4 bij 0.7 m) niet direct te verklaren als een grafkist of grafkuil.

Bij verder blootleggen bleek dat de uitstekende botten zich naar boven toe in tweeën splitsten: het gaat dus om een soort met twee ‘tenen’ (een zogenaamde evenhoevige). Gerustgesteld dat het dus geen menselijke begraving was, hebben we het skelet verder blootgegraven.

Het blijkt een jong rund, dat in een kuiltje is geplaatst, en dat vermoedelijk aan de poten in de kuil heeft laten zakken, omdat de poten zowel voor- als achter hoger liggen dan het lijf (deze heeft men dus als laatste losgelaten).

Nu het skelet verder bloot lag, was het mogelijk in meer detail te kijken. Met name de tanden zijn van belang…niet alleen hebben dieren met ander voedsel andere tanden (zo hebben varkens knobbelkiezen en runderen knipkiezen om planten te snijden), maar omdat bekend is wanneer welke kies doorkomt bij welke soort, is aan het gebit de ouderdom van een dier vast te stellen.

Het gebit van ons dier wijst erop dat het rond 6-8 maanden heeft geleefd. Op de schedel is al een kleine hoornpit zichtbaar, die later uit zou groeien tot een hoorn.

Het bergen van een dierbegraving is een precies werkje…per skeletdeel wordt voorzichtig geprobeerd de botten in hun natuurlijke verband (anatomisch verband) te verwijderen, en in een krat – met een laagje zand op de bodem ter bescherming – te leggen. Nadat een laagje botten is verwijderd, worden dieper liggende botten blootgelegd, gefotografeerd, met LiDAR ingemeten en ook verwijderd. Tussendoor worden er ook nog monsters van de grond bij het skelet genomen. Met name de maagstreek (voedsel, parasieten!?) en bekkenregio (drachtige volwassen dieren) is daarbij interessant.

De grootste puzzel is momenteel het begrijpen waarom een jong kalf zo dicht bij het klooster werd begraven. Sowieso is het niet ‘economisch’ om een kalf te begraven: het had immers ook opgegeten kunnen worden. De meest gehoorde verklaring is dan dat het dier waarschijnlijk ziek was, en niet voor consumptie geschikt. Maar waarom zou men dan een ziek dier zo ‘dicht bij huis’ begraven? Het diergraf ligt zeer dichtbij de zuidelijk muur van een noordoostelijke – nu gesloopte – vleugel van het klooster. Zou men een ziek dier niet verder weg hebben begraven? Of verbrand?
Een andere optie is dat men het dier bewust heeft begraven. Uit pïeteit (medeleven) wellicht…vroeger was vee veel meer ‘onderdeel van het huishouden’ dan nu..), of als een bouw- of verlatingsoffer. Zo werd 600 jaar geleden al eens een kat ingemetseld om een kerk te beschermen, en lijkt zo een 18% van de middeleeuwse huizen een bouwoffer van enige soort te kennen. Zouden diergraven ook als een bouwoffer kunnen zijn gebruikt?

Een studie naar bouwoffers van klooster Leeuwenhorst toonde aan dat geld een gangbaar bouwoffer was, maar dat het inmetselen van (levende) dieren elders soms ook wel voorkwam. Bij klooster Mariëndaal was mogelijk een kruik als bouwoffer begraven… Het idee dat kloosterlingen zaken begroeven om hun gebouwen te vrijwaren van onheil – hoewel het bijgelovig klinkt – is dus niet zo ver gezocht!

s